Land Sint Maarten mag erfpachtcanons invorderen

PHILIPSBURG - Op 22 februari 2019 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie beslist dat het Land Sint Maarten achterstallige erfpachtcanons kan invorderen bij dwangschrift.
 
Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten had anders beslist omdat de verplichting om de canon te betalen privaatrechtelijk van aard is, maar dit oordeel is door het Hof vernietigd.
 
Ook al is de vestiging van erfpacht op overheidsgrond, de vaststelling en wijziging van de canon en het in rekening brengen van de canon privaatrechtelijk van aard, de invordering kan geschieden bij dwangbevel volgens fiscale regels. De reden is dat de hoogte van de jaarlijkse canon wettelijk is bepaald, te weten een bepaald percentage van de door de overheid vastgestelde grondwaarde. Dat maakt dat de Invorderingsverordening en de Dwanginvorderingsverordening grotendeels van toepassing zijn.
 
 
Uitspraak in zaak Land St. Maarten vs Laissez Faire erfpachtcanon d.d. 22 februari 2019
 
Burgerlijke zaken 2019 Vonnis no.
Registratienummer: KG 136/2016 - Ghis 82550/2017 - H 70/17
SXM201600482 – SXM2017H00067
 
Uitspraak: 22 februari 2019
 
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
 
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
 
de publiekrechtelijke rechtspersoon HET LAND SINT MAARTEN,
zetelend in Sint Maarten,
hierna te noemen: het Land,
oorspronkelijk gedaagde, thans appellant,
gemachtigden: mrs. R.F. Gibson en V.L. van der Vliet,
 
tegen
 
de naamloze vennootschap LAISSEZ FAIRE N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
hierna te noemen: Laissez Faire,
oorspronkelijk eiseres, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. H.S. Kockx.
 
1. Het verloop van de procedure
1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en
voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint
Maarten (GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen in kort geding
uitgesproken vonnis van 22 december 2016. De inhoud van dit vonnis geldt als hier
ingevoegd.
1.2. Het Land is bij akte van appel op 10 januari 2017 in hoger beroep gekomen van
voornoemd vonnis. In een op 31 januari 2017 ingediende memorie van grieven, met
producties, heeft het Land tien grieven voorgedragen en geconcludeerd dat het Hof
het bestreden vonnis zal vernietigen, met veroordeling van Laissez Faire in de
kosten van de procedure in beide instanties.
1.3. Laissez Faire heeft in een memorie van antwoord het appel van het Land bestreden
en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling
van het Land in de kosten.
 
2
 
1.4. Op 5 mei 2017 heeft het Land een productie ingezonden, bevattende een uitspraak
van het GEA van 15 januari 2013 (AR 2011/98).
1.5. Op 15 december 2017, de voor schriftelijk pleidooi bepaalde dag, hebben de
gemachtigden van partijen schriftelijke pleitnotities ingediend.
1.6. Vonnis is nader bepaald op heden.
 
2. De ontvankelijkheid
 
Het Land is tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen en kan daarin worden
ontvangen.
 
3. De grieven
Voor de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.
 
4. Beoordeling
4.1. Het Hof gaat uit van het hierna volgende.
1. Bij notariële akte van 5 juli 1990 (productie 2 bij inleidend verzoekschrift) is
door het Eilandgebied Sint Maarten (per 10/10/10 opgevolgd door het Land) ten
behoeve van Laissez Faire een erfpacht gevestigd op een (water)perceel van
3.700 m2 in Oyster Pond, met meetbrief 241/1990. Aan deze vestiging lag
blijkens de vestigingsakte het Eilandsbesluit van 18 mei 1990, nr. 1106 ten
grondslag (door Laissez Faire overgelegd op 1 december 2016 als productie 9).
2. De in de vestigingsakte opgenomen condities houden onder meer in:
a. the right of long lease will be granted for a period of sixty (60) years, commencing at
the transcription of the deed of granting right of long lease in the appropriated
registers;
b. the Leaseholder has the obligation to pay the annual groundrent in advance at the
Receiver's office of the Island Territory of Sint Maarten, for the first time on or
before the day on which this instrument will be executed and each year thereafter
after a notice for payment has been sent by same Receiver's office;
c. aforementioned groundrent has been set at One Guilder, Netherlands Antillean
Currency (NAFls.1.00) per square meter per year and can be revised by decree of the
Executive Council after expiration of a period of ten (10) years after the transcription
of the deed of granting right of long lease in the public registers;
d. the land given in long lease may be used only for the construction of three piers, after
approval of the building plan by the Executive Council has been obtained;
(…).
 
3. Voorts bepaalt de vestigingsakte dat de Eilandsverordening op de uitgifte in
erfpacht van gronden toebehorende aan het Eilandgebied de Bovenwinds
Eilanden, AB 1954 no. 1 (sedert 10/10/10: Landsverordening op de uitgifte in
erfpacht van gronden toebehorende aan Sint Maarten, met citeertitel:
Verordening op de uitgifte van eigendommen) van toepassing is.
4. Deze Verordening bepaalde onder meer (oude tekst):
 
Artikel 2
 
3
De uitgifte van grond in erfpacht geschiedt:
a.
onder de algemene voorwaarden vervat in de artikelen 5 t/m 25 en de bijzondere
voorwaarden door het Bestuurscollege in elk afzonderlijk geval te stellen;
b.
tegen een canon, bedragende minstens 8 ten honderd per jaar van de door het
Bestuurscollege vastgestelde grondwaarde;
c.
voor een tijdvak van niet langer dan 60 jaren;
d.
bij notariële akte.
Artikel 3
De bijzondere voorwaarden, in het vorige artikel onder a bedoeld, kunnen o.m. bevatten
voorschriften betreffende de bestemming van de grond en van de daarop aanwezige of
aan te brengen opstallen.
 
5. Laissez Faire heeft bij verzoekschrift van 19 juni 2007 een verzoek gedaan tot
wijziging van de bestemming van drie pieren naar: ‘twee pieren met daarop
commerciële gebouwen en aanleg voor pleziervaartuigen’.
6. In reactie daarop heeft het Bestuurscollege van het Eilandgebied Sint Maarten
op 26 mei 2008 besloten (productie 3 bij inleidend verzoekschrift):
Goedkeuring te verlenen aan het verzoek van voornoemde naamloze vennootschap
Laissez Faire N.V. om tot wijziging van de bestemming, naar het hebben en behouden
van twee pieren met daarop commerciële gebouwen, over te gaan onder de voorwaarde
dat:
1. Naar aanleiding van de bestemmingswijziging, de jaarlijkse erfpachtcanon met
ingang van 16 juli 2008 wordt vastgesteld op Naf 22.200,00 gebaseerd op Naf
6,00 per vierkante meter;
2. De jaarlijkse canon om de vijfjaren kan worden herzien voor het eerst per 16
juli 2012.
Met als motivering:
Dat in onderdeel d) van het voornoemde Eilandbesluit nummer 1106 is bepaald "de in
erfpacht uitgegeven grond mag zonder nader verkregen toestemming van het
Bestuurscollege voor geen ander doel bestemd worden dan voor het bouwen van drie
pieren";
Dat het Bestuurscollege bereid is medewerking te verlenen aan de wijziging van de
bestemming naar "het hebben en behouden van twee pieren met daarop commerciële
gebouwen";
Dat het vanwege de wijziging van de bestemming wenselijk is de canon aan te passen
en op Naf 6,00 per vierkante meter te stellen;
Dat het wenselijk is de herzieningstermijn van de canon te wijzigen van 10 jaren naar de
thans gebruikelijke termijn van vijf jaren;.
 
7. Laissez Faire heeft bij brief van haar gemachtigde van 14 augustus 2008
(productie 4 bij inleidend verzoekschrift) haar verzoek tot wijziging van de
bestemming ingetrokken. Zij wenst op de oude voet door te gaan (‘the
sustenance of the right of long lease as issued in its original format, and not
altered based on your decision of May 26, 2008 aforementioned’).
8. Hierop heeft het Eilandgebied en, na 10/10/10, het Land niet gereageerd.
9. Bij schrijven ontvangen op 29 september 2011 aan de minister van VROMI
heeft Laissez Faire gereclameerd (productie 5 bij inleidend verzoekschrift). Ook
hierop kwam geen reactie en evenmin op brieven van 29 augustus 2014, 22
september 2014 en 18 juni 2015 (producties 6-8 bij inleidend verzoekschrift).
10. Laissez Faire heeft met ingang van 2009 niets betaald, dus ook niet de canon
van NAf 1,- per m2 (pleitnota mrs Gibson en Van der Vliet in eerste aanleg,
onder 3.10; niet weersproken).
11. De Ontvanger is vanaf 2009, met toepassing van de Landsverordening
houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en
 
4
 
vergoedingen door middel van dwangschriften alsmede van de rechtspleging
inzake van belastingen, bijdragen en vergoedingen (geen officiële citeertitel;
hierna: Dwanginvorderingsverordening), meerdere malen overgegaan tot
invordering door middel van dwangschriften van de canon op basis van NAf 6,-
per m2.
12. Op 19 april 2016 is een dwangafschrift betekend voor NAf 175.673,99
(productie Land d.d. 1 december 2016). Een dwangafschrift levert een
executoriale titel op (artikel 3 lid 1 Dwanginvorderingsverordening; zie hierna
onder 4.4) en op 22 december 2016 heeft de Ontvanger executoriaal beslag
gelegd op registergoederen van Laissez Faire (productie 1 bij inleidend
verzoekschrift).
13. Volgens Laissez Faire heeft de orkaan Irma in september 2017 de pieren en een
appartementencomplex waarop beslag was gelegd verwoest (pleitnota mr.
Kockx in hoger beroep, p. 6).
4.2. Laissez Faire heeft in kort geding jegens het Land opheffing van het executoriaal
beslag gevorderd. In het bestreden vonnis heeft het GEA de vordering toegewezen,
uitvoerbaar bij voorraad. Hiertegen richt zich het hoger beroep van het Land.
4.3. De eerste te beantwoorden vraag (aan de orde gesteld in de grieven III en VI), is of
de Dwanginvorderingsverordening van toepassing is op de invordering van
achterstallige canons. Het GEA heeft in het bestreden vonnis deze vraag ontkennend
beantwoord. Eerder, te weten op 15 januari 2013 (AR 2011/98) had het GEA (met
een andere rechter) een tegengesteld standpunt ingenomen (productie 13 door het
Land overgelegd op 5 mei 2017).
4.4. De Dwanginvorderingsverordening bepaalt onder meer:
Artikel 1
1. De belastingen, bijdragen en vergoedingen, die volgens tarieven vastgesteld bij
landsverordening en landsbesluit, houdende algemene maatregelen, ten bate van de Landskas
worden geheven, alsmede de daarop gevallen rente wegens te late betaling, worden ingevorderd
door middel van dwangschriften.
2. Voor de toepassing van de bepalingen van deze landsverordening worden onder belastingen
mede begrepen de verschuldigde opcenten, de interest en de kosten van vervolging op de
belasting of opcenten.
Artikel 2
1. De dwangschriften bevatten, volgens een bij landsbesluit vastgesteld formulier:
a. wanneer het een kohierbelasting geldt, een volledig uittreksel uit het kohier;
b. in andere gevallen een zo volledig mogelijke aanduiding van degene tegen wie de vordering
gericht wordt;
c. de aard, de grondslag en het bedrag van de vordering;
d. de titel van de vordering of de artikelen van de wettelijke regeling, waarop de vordering wordt
gegrond;
e. in alle gevallen de last tot betaling.
2. Zij worden uitgevaardigd door de Ontvanger en zijn vrij van zegel.
3. [vervallen]
Artikel 3
1. Het dwangafschrift levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd.
2. De tenuitvoerlegging geschiedt namens de Ontvanger met vermelding alleen van zijn
hoedanigheid zonder bijvoeging van zijn naam.
Artikel 4
1 De tenuitvoerlegging van het dwangschrift kan slechts worden geschorst door een verzet, met
redenen omkleed.
 
5
 
2. Het verzet wordt betekend aan de Ontvanger, die de betaling vervolgt, en moet op straffe van
nietigheid bevatten de keuze van domicilie in Philipsburg. Eveneens op straffe van nietigheid
moet binnen een maand na deze betekening het geding tegen de Ontvanger worden aanhangig
gemaakt bij de rechter in eerste aanleg.
3. Verzet kan niet gegrond zijn op het niet ontvangen van een aanslagbiljet, kennisgeving van te
betalen bijdrage of vergoeding of aanmaning, en kan nimmer gericht zijn tegen de wettigheid of
de hoogte van het gevorderde bedrag, noch gegrond zijn op de bewering dat aanspraak zou
bestaan op ontheffing of vermindering.
4. Indien het verzet wordt afgewezen, is hoger beroep slechts ontvankelijk na bewijs, dat de
belasting, bijdrage, vergoeding, rente, verhogingen en kosten zijn betaald aan de Ontvanger.
(…)
4.5. Een vergelijkbare bepaling als artikel 1 lid 1 van de Dwanginvorderingsverordening
is vervat in het hierna te citeren artikel 13 van de Landsverordening op de
invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen (citeertitel:
Invorderingsverordening). Tussen deze Invorderingsverordening en voornoemde
Dwanginvorderingsverordening bestaat verband (zie het hierna te citeren artikel 12
Invorderingsverordening).
4.6. De Invorderingsverordening bepaalt onder meer:
Artikel 1
De invordering van inkomstenbelasting, de winstbelasting en de grondbelasting, alsmede van de
op die belastingen geheven opcenten, geschiedt overeenkomstig de bepalingen van de volgende
artikelen en krachtens kohieren, welke worden toegezonden aan de Ontvanger.
(…)
Artikel 5
De toerekening en afschrijving der betalingen of van de tot verhaal van het verschuldigde
ontoereikende opbrengst bij uitwinning geschiedt in de volgende orde:
1° op kosten van vervolging;
2° op de onkosten volgens de verordeningen ten laste van de belastingschuldige of
belanghebbende komende;
3° op de oudste openstaande aanslagen of termijnen.
Artikel 6
1. De Ontvanger is bevoegd aan de belastingschuldige op zijn verzoek uitstel van betaling en
gemakkelijker betalingsvoorwaarden te verlenen, indien onafwijsbaar blijkt, dat hij door
bijzondere omstandigheden, buiten zijn wil, niet bij machte is aan de voorgeschreven
betalingsregelen te voldoen.
2. Uitstel van betaling of enige andere betalingsregeling doet niet af aan het bepaalde in artikel 11.
(…)
Artikel 7
Ongeacht hetgeen bij de belastingverordeningen omtrent de termijnen van betaling is bepaald,
zijn alle verschuldigde belastingen ineens en terstond invorderbaar:
1° wanneer de belastingplichtige in staat van faillissement is verklaard, gelijk mede in geval van
beslaglegging op zijn roerende of onroerende goederen vanwege de rechtspersoon Sint Maarten
of van verkoop daarvan, tengevolge van een beslaglegging namens derden;
2° wanneer blijkt, dat de belastingschuldige Sint Maarten wil verlaten met wegvoering of na
vervreemding van zijn roerende goederen, dan wel op grond van andere feiten en omstandigheden
gerechtvaardigde vrees bestaat voor verduistering van zijn roerende goederen;
3° wanneer een vordering wordt gedaan als bedoeld in artikel 10 van de Landsverordening op de
invordering van directe belastingen.
Artikel 9
De verplichting tot betaling der belastingen wordt niet geschorst door de indiening van
bezwaarschriften tegen de aanslag of van aangiften of verzoekschriften tot het verkrijgen van
ontheffing, noch door verkrijging van surseance van betaling voor zover volgens het
Faillissementsbesluit 1931 de surseance ten aanzien van de verplichting tot betaling niet werkt,
evenmin door het voorbehouden recht van beraad of door aanvaarding onder voorrecht van
boedelbeschrijving
(…)
Artikel 11
 
6
 
1. De belastingschuldige, die in gebreke blijft de verschuldigde belasting voor of op de vervaldag
te voldoen, wordt door de Ontvanger aangemaand om alsnog binnen veertien dagen het
verschuldigde te betalen, onder kennisgeving dat hij bij gebreke daarvan rechtens tot betaling zal
worden gedwongen.
(…)
Artikel 12
Indien de krachtens artikel 11 uitgereikte aanmaning niet tot betaling of het treffen van een
betalingsregeling heeft geleid, gaat de Ontvanger over tot dwanginvordering.
Artikel 13
De artikelen 5, 6, eerste en tweede lid, 7, 9,11, eerste lid, en 12 zijn van overeenkomstige
toepassing op de invordering van de belastingen, niet vallende onder artikel 1, van de bijdragen en
vergoedingen welke volgens tarieven, vastgesteld bij landsverordening of landsbesluit, houdende
algemene maatregelen, worden geheven, en op de bijdragen en vergoedingen toekomende aan
Sint Maarten, doch geheven volgens tarieven vastgesteld bij landsverordening of bij landsbesluit,
houdende algemene regelen.
4.7. Naar het oordeel van het Hof vallen de verschuldigde canons onder de ‘bijdragen en
vergoedingen, die volgens tarieven vastgesteld bij landsverordening en landsbesluit,
houdende algemene maatregelen, ten bate van de Landskas worden geheven’, als
bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Dwanginvorderingsverordening (hiervóór onder 4.4
geciteerd). Immers bepaalt artikel 2 onder b van de (huidige) Verordening op de
uitgifte van eigendommen (zie hiervóór onder 4.1 sub 4) dat de canon 8% per jaar
bedraagt van de door de minister (voorheen: het Bestuurscollege) vastgestelde
grondwaarde.
4.8. Voor artikel 13 van de Invorderingsverordening (hiervóór onder 4.6 geciteerd) geldt
hetzelfde. Dat de canonbetaling een privaatrechtelijke verplichting is (zie verder
hierna rov. 4.12), staat aan dit oordeel niet in de weg.
4.9. Het Hof acht het in het algemeen (in de toekomst) wenselijk dat in de aanmaning,
bedoeld in artikel 11 lid 1 Invorderingsverordening melding wordt gemaakt van de
mogelijkheid voor de erfpachter om voor de burgerlijke rechter de verschuldigdheid
van de canon aan te vechten (‘Rechtsmittelbelehrung’).
4.10. Uitgaande van de toepasselijkheid van de Dwanginvorderingsverordening, stelt het
Land terecht (grief I) dat Laissez Faire niet het Land, maar de Ontvanger in rechte
had behoren te betrekken. Het Hof heeft op 9 juni 2017 (AR 143/14-Ghis 79521-H
211/16), American University v. het Land en de Ontvanger, geoordeeld ‘dat
uitsluitend de Ontvanger kan worden gedagvaard (vergelijk
ECLI:NL:HR:2003:AF3638)’ (rov. 3.5). Het Hof ziet geen aanleiding daar thans
anders over te oordelen.
4.11. Het Land stelt voorts dat het besluit van het Bestuurscollege van het Eilandgebied
Sint Maarten van 26 mei 2008 (hiervóór in rov. 4.1 onder 6 genoemd), waarbij de
canon is gesteld op NAf 6,- per m2, formele rechtskracht heeft gekregen doordat
Laissez Faire daartegen niet langs bestuursrechtelijke weg is opgekomen (grieven
IV en VI).
4.12. Deze stelling gaat niet op. De uitgifte in erfpacht is een privaatrechtelijke
rechtshandeling en hetzelfde geldt voor een wijziging van de daaraan verbonden
voorwaarden inzake bebouwing of toestemming daartoe en een vaststelling of
wijziging van de canon. Ook het in rekening brengen van een canon is een
rechtshandeling naar burgerlijk recht (LAR-Hof 21 november 2013,
 
7
 
ECLI:NL:OGHACMB:2013:72). In de privaatrechtelijke vestigingsakte van 5 juli
1990 is bepaald (zie hiervóór rov. 4.1 onder 2 sub c) dat de canon ‘can be revised by
decree of the Executive Council’. Ook het stellen van bijzondere voorwaarden
geschiedt door het Bestuurscollege; zie artikel 2 onder a van de oude
Erfpachtsverordening waarnaar de akte verwijst (hiervóór rov. 4.1 onder 4). Voor
zover het onderhavige besluit van het Bestuurscollege van 26 mei 2008 een
beschikking is (omdat de herkomst van de bevoegdheid waarop die beschikking is
gebaseerd publiekrechtelijk van aard is), is het een beschikking ter voorbereiding
van een privaatrechtelijke rechtshandeling, waartegen geen beroep ingevolge de
Landsverordening administratieve rechtspraak (LAR) openstaat, tenzij het gaat om
een beschikking houdende weigering van de goedkeuring van een dergelijke
beschikking (artikel 7 lid 2 aanhef en onder f LAR) (vgl. voor Nederland de
uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25
februari 1999, Gemeentestem 1999-7100, 2). De beschikking is tevens die
voorbereide privaatrechtelijke rechtshandeling (samenval van rechtsmomenten), nu
uit de vestigingsakte voortvloeit dat de daarbij herziene canon en bijzondere
voorwaarde tussen partijen zullen gaan gelden.
4.13. Dit betekent dat Laissez Faire haar geschil omtrent de hoogte van de canon aan de
burgerlijke rechter kan voorleggen.
4.14. Het Hof zal het bestreden vonnis waarin het beslag van de Ontvanger is opgeheven,
vernietigen. De Ontvanger had door Laissez Faire moeten zijn opgeroepen in plaats
van het Land (zie rov. 4.10).
4.15. Door de vernietiging in hoger beroep van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde
opheffing van het beslag, herleeft het beslag met dien verstande dat wijzigingen in
de rechtstoestand van het beslagen goed in de periode tussen de opheffing en de
vernietiging moeten worden geëerbiedigd (HR 26 mei 2000,
ECLI:NL:PHR:2000:AA5960, NJ 2001/388, Land Aruba en Ontvanger v. Boeije).
4.16. Laissez Faire dient de kosten van deze procedure in beide instanties te dragen.
 
B E S L I S S I N G
Het Hof:
- vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende:
- wijst af de vordering van Laissez Faire tot opheffing van het beslag;
- veroordeelt Laissez Faire in de kosten van deze procedure aan de zijde van het
Land gevallen en tot op heden begroot voor de eerste aanleg op NAf 1.000,-
aan gemachtigdensalaris en voor het hoger beroep op NAf 6.000,- aan
gemachtigdensalaris en NAf 1.182,50 aan verschotten.
 
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, J.Th. Drop en M.G.J.M. van Kempen,
leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en op 22 februari 2019 ter
 
8
 
openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten in tegenwoordigheid van de
griffier uitgesproken.

UoC-studenten op uitwisseling en stage naar Europa

WILLLEMSTAD - In de afgelopen weken zijn een aantal studenten van de Faculteit der Sociale en Economische Wetenschappen, de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen en de Faculteit der Technische Wetenschappen vertrokken naar Europa voor een stage of semesteruitwisseling aan de apartneruniversiteiten van de UoC.

Raad van Ministers op bezoek bij Gouverneur

WILLEMSTAD – Elke vier maanden nodigt de Gouverneur van Curaçao, Hare Excellentie Lucille George-Wout, de Raad van Ministers uit voor een werklunch.

First Management Agreement Aruba signed

ORANJESTAD - A scoop on Aruba, where the Minister of Spatial Development, Infrastructure and the Environment Otmar Oduber and Fundacion Parke Nacional Aruba signed a management agreement for the first time on August 26.